Kenniscentrum Toetsen en Examineren

Home / Toets- en itemanalyse / Heeft een vierkeuzevraag altijd een gokkans van 25%?

Heeft een vierkeuzevraag altijd een gokkans van 25%?

 

Iedereen heeft er wel eens een gezien: een meerkeuzevraag waarbij je direct glimlachend een alternatief kunt wegstrepen dat zeker niet het correcte antwoord is. Zelfs als je helemaal geen verstand hebt van de stof, zul je dat alternatief nooit kiezen. Hoe is zo’n vraag ontstaan en hoe kun je dat als ontwikkelaar voorkomen?

Een praktijkvoorbeeld

Welke invloed heeft een belastingverlaging op het brutosalaris?

a. het brutosalaris wordt lager
b. het brutosalaris wordt hoger
c. het brutosalaris blijft gelijk
d. iets anders

Het lijkt misschien een extreem voorbeeld, maar in de praktijk komen we dit soort constructies tegen. De vraagontwikkelaar in kwestie had als randvoorwaarde in het constructieproces dat elke vraag vier alternatieven moest hebben. Hij had dus letterlijk ‘iets anders’ nodig voor het vierde alternatief, maar kon dat (terecht) niet bedenken. Vaak staat er in zo’n geval ook: Geen van bovenstaande.

Gokkans

Vier alternatieven: het is nog heel vaak de standaard. Waarom eigenlijk? Omdat de gokkans bij een vierkeuzevraag lager is dan bij een driekeuzevraag, is het meest gegeven antwoord. Maar is dat wel echt zo? Dan gaan we er vanuit dat een kandidaat bij elke vraag ‘blind’ gokt, zonder eerst de antwoorden te bekijken. En dat is natuurlijk niet het geval. Iedereen streept eerst de minst aantrekkelijke alternatieven weg en kiest dan tussen de alternatieven die overblijven.

Als we naar bovenstaand voorbeeld kijken, zal niemand kiezen voor alternatief D. Eigenlijk is de gokkans van deze vraag dus 33% en niet 25%. We mogen er dus niet zomaar vanuit gaan dat elke vierkeuzevraag een lagere gokkans heeft dan een driekeuzevraag. De kwaliteit van de alternatieven heeft invloed op die gokkans.

Variëren in aantal alternatieven

Ons advies is daarom niet (te) krampachtig vast te houden aan vier alternatieven per vraag. Het is geen enkel probleem om in één toets vragen te stellen met een verschillend aantal alternatieven. Kijk gewoon hoeveel afleiders (onjuiste alternatieven) je kunt bedenken die aantrekkelijk genoeg zijn voor kandidaten die de stof niet beheersen. Tegenover een vraag met drie of twee alternatieven, kun je een vraag zetten met vijf of zelfs zes alternatieven. Voor zo’n gevarieerde toets kun je eenvoudig zelf de gokkans berekenen. Wil je daarover meer weten, neem dan contact met ons op!

Door: Jolanda Soeting, Teelen Kennismanagement

 

Of bekijk de volgende cursussen:

 

Bekijk ook

Goed beleid voor autistische studenten? Dit hoef je niet zelf te bedenken!

Veel mensen zien een stoornis in het autismespectrum als een beperking. Roy Houtkamp niet. Hij …

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *