Kenniscentrum Toetsen en Examineren

Home / Toetsconstructie / De relatieve cesuur

De relatieve cesuur

Door: Bart Roosenboom en Jolanda Soeting, Teelen Kennismanagement

In een vorige blog bespraken we de absolute cesuur. Bij een absolute cesuur bepaal je vooraf welk deel van de punten een kandidaat moet halen om een voldoende te krijgen voor een toets. In deze blog zullen we dieper ingaan op de relatieve cesuur. Bij de relatieve cesuur bepaal je het aantal te behalen punten voor een voldoende achteraf, op basis van de scores van alle kandidaten.

In de praktijk wordt de relatieve cesuur minder vaak gebruikt dan de absolute cesuur. In sommige gevallen is het echter juist goed om wél met een relatieve cesuur te werken.

Wanneer is het verstandig om een relatieve cesuur te gebruiken?

Soms is het verstandig om pas achteraf te bepalen bij welke score studenten zakken of slagen.

De moeilijkheidsgraad van de toets en de kwaliteit van het onderwijs zijn bijvoorbeeld niet goed in te schatten, waardoor deskundigen het moeilijk vinden een absolute cesuur te bepalen. Als een opleiding bijvoorbeeld net is gestart (met nieuwe vakken en leermiddelen, nieuwe lessen en nieuwe toetsen) kan het lastig zijn om voor elke toets vooraf te bepalen hoeveel punten kandidaten moeten halen om een voldoende te krijgen. In zo’n geval helpt het om achteraf de scores van de studenten te bekijken en dan pas te bepalen waar de cesuur ligt.

Een andere reden om te kiezen voor een relatieve cesuur, is de selectieve functie van een toets. Dit is bijvoorbeeld het geval als de beste dertig studenten geselecteerd moeten worden voor een opleiding met een beperkt aantal beschikbare plaatsen of als een groep zwakke studenten moet worden geselecteerd voor een bijspijkercursus.

Methodes om de relatieve cesuur te berekenen

Er zijn verschillende manieren om de relatieve cesuur te berekenen.

Op basis van slagingspercentages

Bij deze cesuurmethode wordt voor de afname van het examen een slagingspercentage bepaald. Dat is het percentage van de kandidaten dat een voldoende moet krijgen. Dit kan bijvoorbeeld 75% van de kandidaten zijn. De zak/slaaggrens komt te liggen bij de kandidaat die als laatste binnen de groep van 75% valt.

De afbeelding maakt de methode duidelijk:

De methode Wijnen

Bij deze methode wordt de gemiddelde score van de kandidaten als uitgangspunt genomen. Wijnen veronderstelt dat de gemiddelde kandidaat de leerdoelen voldoende beheerst en dus zou moeten slagen. Van de gemiddelde score wordt tweemaal de standaardmeetfout van het groepsgemiddelde afgetrokken om de cesuur te bepalen. Bijvoorbeeld: de gemiddelde score op de hiervoor beschreven toets is 14,1 en de standaardmeetfout is 1,8. Volgens de methode Wijnen wordt de cesuur dan vastgesteld op 10,5 ((14,1 – (2 x 1,8)). Een belangrijk voordeel van de methode Wijnen is dat de betrouwbaarheid van de toets meeweegt in de cesuur. Als een toets erg onbetrouwbaar is, valt de cesuur lager uit dan bij een betrouwbare toets.

Nadelen van de relatieve cesuur

Aan de relatieve cesuur kleven een aantal nadelen:

  • Als er veel zwakke kandidaten zijn, verhoogt dit de slaagkans van andere kandidaten (die wellicht de leerdoelen ook maar matig beheersen).
  • De kwaliteit van de toets en het onderwijs worden niet zichtbaar in de toetsuitslag.
  • De relatieve cesuur mag niet zonder meer worden gehanteerd bij kleine groepen en bij herkansingsgroepen.

[1] De standaardmeetfout is een maat voor de gemiddelde onnauwkeurigheid van de toetsscores. Ze wordt berekend met behulp van de betrouwbaarheidscoëfficiënt. Hoe hoger de betrouwbaarheid, hoe lager de standaardmeetfout. Met de standaardmeetfout kan men met het interval rondom elke toetsscore bepalen waarbinnen met bepaalde zekerheid de bij die toetsscore behorende ‘ware score’ ligt.

  • Bij groepen waarbij de toetsscores niet normaal zijn verdeeld (bijvoorbeeld omdat er veel kandidaten het maximaal aantal te behalen punten haalde), is het statistisch gezien minder verantwoord om met een relatieve cesuur te werken.

 

Bekijk ook

Goed beleid voor autistische studenten? Dit hoef je niet zelf te bedenken!

Veel mensen zien een stoornis in het autismespectrum als een beperking. Roy Houtkamp niet. Hij …

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *